Wereldreis

Een tekstbericht.

'Het is acht uur.'

Tien minuten later.

'Je cappuccino staat gereed!'

Vijf minuten later.

'Ben je dood misschien!?'

Elke keer ik wat langer durf te slapen word ik op mijn plicht gewezen. Hij verwacht mij in zijn winkel. Elke ochtend. Stipt. Misschien is er vriendschap in het spel. Ik moet dat een keer uitzoeken.

Tonino en ik, wij zijn als pubermeisjes.

Of als hoogbejaarden.

Wat is de grootste leegte waarmee een mens zijn armzalige bestaan kan proberen op te vullen? Eendjes eten geven in het park? De doodsberichten lezen in de etalage van het uitvaartbedrijf? Of misschien: een ritje met de auto maken, zonder doel, zonder plan? Ja, dat laatste moet de laagste vorm van tijdverdrijf zijn.

Wel. Dat doen wij graag. Wanneer we weer een keer nergens naartoe vertrekken doet hij tuut tuut tuut - het vervelende belletje van het alarm dat hij heeft uitgeschakeld door zijn gordels altijd in hun slot te laten en er tegenaan te gaan zitten. Ik ben de enige die hij kent die zich wel vastgespt en zo’n wereldvreemd gedrag vind hij erg komisch.

We passeren een leptosoom iemand die als een stille geest langs de verlaten wegen dwaalt.

'Ik heb lang gedacht dat dat een meisje was', wijs ik. Het is niet de eerste keer dat ik dat zeg. Integendeel. Maar ik hanteer de strategie van het Zuid-Italiaanse converseren. Het is alsof je bij een vijver staat. Die zit vol geheimen. Tot je middel in het water banjeren en heftig onder het oppervlak gaan klauwen, met die aanpak vang je bot. Je moet achteloos op de kant blijven staan. Aas uitgooien. Elke keer opnieuw. Geduldig, nonchalant. Tot de vis zin heeft in je haak te bijten.

Dikwijls zeg ik iets en laat Tonino dat voorbij waaien alsof hij niets heeft gehoord. Een rechtstreekse vraag mist sowieso zijn doel. De drie woorden die hij het meeste gebruikt zijn ‘so’, ‘lo’ en ‘non’  - ‘Ik weet’, ‘het’ en ‘niet’.

'Waar was je gisteren?' - 'Non lo so.'

'Wie heeft dat veld afgebrand?' - 'Non lo so.'

'Heeft die vrouw je nog teruggebeld?' - 'Non lo so.'

'Ik dacht dat dat een meisje was', zeg ik voor de tigste keer, en hij verrast me met 'Als jongen wilde hij maar niet groeien. Hij was twaalf jaar oud en maar een meter groot. Ze hebben dat ventje groeihormonen gegeven. En hebben de dokters zich vergist? Ik weet het niet. Want nu is hij wel twee meter groot, maar ook meer meisje dan man.'

Dan zwijgen we weer minutenlang. Tot opeens.

'Zijn vader kwam op een dag met een vriend een tweeliterfles olijfolie in mijn winkel kopen. Een glazen fles. Ze vertrokken samen met de motor. Twee minuten later stond die vriend terug in de winkel. Hij was met de motor gevallen, zei hij. Hij had geen schrammetje. En de andere was met zijn hoofd tegen een rots van niemendal gevallen. Op slag dood. Dat is toch raar? Die man zijn schedel was gebarsten, maar die fles olijfolie was nog heel.'

Ik zeg ‘Zeg je nu dat er meer aan de hand was?’

Hij antwoordt ‘Non lo so.’

Toen hij me meenam om een ritje te maken was ik aan het praten met een dorpsgenoot. Ik weet dat die weet dat ik weet dat hij het is die ooit mijn laptop heeft gestolen. Wij hebben elkaar dat nooit gezegd. De laptop is terug (via via vrijgekocht), dus praten we daar niet over. Natuurlijk niet.

Tonino tuit zijn mond. Het teken dat hij iets belangrijk gaat zeggen. ‘In Ostuni is er een gezegde. ‘Ook gehandicapten willen dat anderen jaloers op ze zijn.’ Je mag anderen nooit tonen dat je het beter hebt. Of dat je rijker bent. Of slimmer. Want dat ergert mensen die het moeilijk hebben. Als zij niet op jouw niveau geraken, willen ze jou naar hun niveau neertrekken. Je mag sukkelaars ook niet te veel helpen. Want dan krenk je hun eergevoel. Arme mensen, of dieven, zijn soms als boze honden. Die bijten naar wie hen streelt.’

Hij krijgt een telefoontje. Eindelijk heeft onze reis een doel: zijn schoonmoeder.

Sinds achttien jaar is Tonino gescheiden. Nooit heeft hij zijn vrouw teruggezien. Niet één keer. ‘Als we op dezelfde begrafenis zijn, doe ik er alles aan om haar niet te zien. Ik wil het niet. Ik doe het niet.’

Maar zijn schoonmoeder is zijn beste vriendin en na al die jaren maakt ze nog dikwijls eten voor hem klaar.

Als we voor haar huis parkeren, zeg ik ‘Ik wil haar wel eens ontmoeten.’ Maar Tonino zegt ‘Dat zal niet gaan.’ Ik vraag ‘Waarom niet?’ Hij zegt ‘Zij zet het eten achter de voordeur.’

- ‘Ja, en?’

- ‘Dan moet ze maar op de parlofoon duwen en kan ik mijn schotel oppikken.’

- ‘Dus je ziet ook je schoonmoeder nooit?’

- ‘Eigenlijk niet, nee.’

Ik ben verbaasd: ‘Waarom?’

Tonino: ‘Omdat ze bij haar dochter woont.’

Ik: ‘Bij wie?’

Hij: Bij mijn ex.’

Een ritje met de auto maken, de laagste vorm van tijdverdrijf?

Een jongen is door een medische fout een meisje geworden. 

Een man sterft in een motorcrash en een oliefles blijft heel.

Een dief wil wraak op je nemen omdat je rijker bent dan hij.

Een gescheiden man krijgt om de paar dagen eten van een vrouw die hij nooit ziet, en staat dan op enkele meters van een vrouw die hij al achttien jaar niet meer wìl zien.

Een wereldreis, dat is het elke keer.

Kinder

Ik woei het winkeltje binnen tijdens een storm. Ik had de deur nog niet dichtgedaan of Salvatore, de vrolijke brulboei, raasde al over me heen.

Salvatore is geen raketwetenschapper. Hij stemt bijvoorbeeld op Berlusconi omdat die zo sympathiek was hem ooit een som geld cadeau te doen. ‘Voor het maken van een kind!’, juicht hij ‘Wat een kerel!’ Salvatore had raak gemikt en daar kreeg hij tot zijn verbazing een geboortepremie voor. Omdat Berlusconi op dat moment de baas van zijn land was moest dat geld wel rechtstreeks uit diens zakken zijn gekomen. En om hem daarvoor te bedanken kiest Salvatore sindsdien voor Il Cavaliere.

'Oké, oké, jullie noemen hem een dief', schreeuwt Salvatore want spreken kan hij niet. 'En ja! Dat is waar! De grootste dief van alle Italianen! Maar hij geeft tenminste een deel van zijn buit aan zijn volk terug. Dat is toch beter dan de andere politici. Die steken àlles wat ze stelen in eigen zakken!'

Democratie in Italië is: de dief belonen die het meeste teruggeeft.

Vandaag blies Salvatore als een kwaaie kater omdat ik gisteren commentaar heb durven geven op moeders die op weg naar de kinderopvang chocoladerepen en zoete rommel inkopen als lunchpakket voor hun kind. De jeugd van ons gehucht staat moddervet.

'Het is de schuld van de televisie', zucht Tonino. 'Als je de reclame voor Nutella en Kinder Bueno ziet, lijkt het alsof je kinderen geen gezonder ontbijt kan geven. Melk, noten, energie, alles wat ze nodig hebben om sterk te worden. En wie amper kan lezen gelooft natuurlijk wat ze op televisie voorgelogen krijgen.'

(Ook door de televisie willen alle Italiaanse meisjes als hun tv-presentatrices zijn, wat hier betekent dat ze eruit zien als gespraypainte etelagepoppen die door een bad glijmiddel getrokken werden, met een wilde bos nylon haar en borsten waarmee je de Costa Concordia drijvende had kunnen houden.)

Salvatore was gekrent in zijn nationale trots. Dat was het. Sinds Fiat met Chrysler een koppel vormt ligt het hoofdkwartier van hun fiere automerk zelfs niet meer in eigen land, en hij heeft gehoord dat de Fyra geen denderend succes was, en… Nu ja, de hele Italiaanse economie ligt op zijn gat.

Uitgenomen de holding Ferrero. Van Nutella. Van Ferrero Rocher. Van Mon Chéri. Van Tic Tac. Van Kinder Bueno. Van Kinder Surprise. Van Kinder vanalles.

Ferrero, verkoper van vetten en suikers. Ferrero, een zuiver Italiaans familiebedrijf.

Ferrero, van Het Ontbijt Van Salvatores Kind.

image

'En mijn dochter zou dat niet mogen eten?', klaagt Salvatore, 'Voedsel van eigen bodem? Het enige wat Italië nog rest? Komaan! Vanaf nu krijgt ze alleen nog dat.'

'Pressione'

Een deel van de inboedel van het winkeltje van ons verpauperde gehucht heeft een hartslag, mannen die op Tonino’s handen staan te kijken als hij om halfzeven ‘s ochtends aan het zware slot van zijn rolluik morrelt en die zich door hem om zeven uur ‘s avonds samen met het afval laten buitenzetten.

Ze zijn met drie. Angelo - de meneer met Parkinson -, Angelino - hij die meer dier dan mens is -, en Pinuccio - die als een willoos wagentje van een roetsjbaan het slachtoffer is van angstwekkende hoogtes en dito laagtes.

image

image

image

Nu ikzelf ook een deel van het meubilair aan het worden ben, schudt Angelo me elke ochtend heel formeel de hand, wat een waardevol gebaar is omdat hij zijn hand wegens zijn ziekte slechts met een Teutoonse kracht kan dwingen niet een wapperende veeg over mijn kruis te geven. Angelino heeft nog nooit een woord gesproken dat ik heb kunnen ontcijferen maar slaat soms zo vriendschappelijk op mijn rug dat ik bloed ophoest en schenkt me dan om het goed te maken paddestoelen die hij bij nacht en ontij is gaan plukken. En Pinuccio, ach, Pinuccio, die zucht elke keer opnieuw ‘Comme si, comme ça’ als ik hem vraag hoe het met hem gaat.

Let wel. Er zijn periodes dat Pinuccio als een wereldster het zielloze plein van ons dorp domineert. Dan is de wereld zijn rode loper en draagt hij een maatpak, een wit hemd dat hij halfopen laat staan, en een zonnebril met spiegelglazen die waarschijnlijk dienen om zijn ogen te beschermen tegen zijn schoenen die hij zo fel heeft opgeblonken. Dan toetert hij ‘Ze hebben mij in Rome gevraagd om acteur te worden!’ of ‘Ik heb in Milaan een job aangeboden gekregen als butler in een paleis!’

image

Maar het enige wat hij in zo’n manische fase doet is ervoor zorgen dat Tonino al zijn duurdere koopwaar - scheermesjes, shampoo, blikken tonijn - achter de toonbank moet bewaren omdat Pinuccio samen met zijn hoogheidswaan ook kleptomane neigingen krijgt. Dan steelt hij alles wat hij buitenslepen kan, om in andere winkels het gestolen goed te ruilen voor sigaretten. (Eén keer probeerde hij een vijfliterblik olijfolie buiten te krijgen, maar die gewaagde diefstal mislukte omdat zelfs een blinde die niet aan het opletten was had kunnen zien dat Pinuccio iets onder zijn jas verborgen hield.)

Nu sleft Pinuccio weer in de diepe vallei van de schaduw des doods. Luid smakkend om van zijn droge mond verlost te geraken - het gevolg van slecht afgestelde dosissen antidepressiva -, ijsbeert hij uren en uren aan een stuk van het bier tot aan het wc-papier, van het wc-papier naar het bier. En terug. En terug.

En dan heb je Tonino. Die rare Tonino die verliefd wordt op elke vrouw die over zijn drempel stapt en over wie ik al vaak aan Els heb gevraagd ‘Is dat nu eigenlijk een vriend van mij, of doet hij maar alsof?’

image

Tonino ontfermt zich over Pinuccio. Hij stuurt hem naar huis terug als hij is vergeten zijn vals gebit in te doen, hij zorgt ervoor dat zijn besmeurd ondergoed gewassen wordt, hij vergeet dat Pinuccio ook een klant is die zijn koffie en belegde broodjes zou moeten betalen. En elke zondag maakt Tonino een schotel voor Pinuccio klaar. Het is diens enige warme maaltijd van de week. Elke zondagmiddag zitten Tonino en Pinuccio samen aan een tafel. De ongekroonde koning van het dorp en de grootste sukkelaar. (Vanaf donderdag vraagt Pinuccio al wat er op het menu staat.)

Op tijd en stond denkt Pinuccio dat hij stervende is en dan belt hij een ambulance. Soms tot drie keer per dag. Geen mens in ons gehucht die opkijkt als we een sirene horen loeien. Het enige wat we doen is vanuit het winkeltje spieden of het knappe verpleegsters zijn die een praatje met Pinuccio komen slaan, hem geruststellen en hem dan achterlaten.

Vanmorgen was ik met Tonino, op de dorpscomputer die staat tussen het rek met chips en de kapotte koelbak die als kaarterstafel dienst doet, aan het kijken naar Derek. Derek is een aangrijpende reeks van Ricky Gervais en gaat over een man die als vrijwilliger in een bejaardentehuis helpt. Derek stond als laatste in de rij toen de hersencellen werden uitgedeeld, maar is een mooier mens dan de meeste van ons. 

Pinuccio kwam bij ons zitten. ‘Pressione’, zei hij zacht.

Zonder daarbij na te denken haalde Tonino het toestel boven dat hij een tijd geleden heeft gekocht. Een bloeddrukmeter.

Hij bleef naar Derek kijken. Spande het drukkussen rond Pinuccio’s arm. Liet het toestel haar werk doen. En zei toen ‘Nee, je gaat nog niet dood.’

image

Pinuccio was weer gerustgesteld. Voor even. Want tot vijftien keer per dag moet Tonino zijn bloeddruk meten.

Toen Pinuccio in de richting van het wc-papier vertrokken was,  vroeg ik mijn vriend: ‘Ken je de baseline van Derek?’

Hij antwoordde: ‘Nee.’

Ik zei: ‘Kindness is magic.’

Vaffan…

Terwijl ik de mannen, die de inhoud van een volle aanhangwagen in onze verre velden aan het sluikstorten waren, op volume elf stond uit te schelden, had ik de helderheid van geest om te denken ‘Dàt gaat vlot! Mijn Italiaans gaat er echt op vooruit.’ Ik was als een vallende ster vanuit het winkeltje komen fietsen nadat Els me had getelefoneerd om te zeggen dat zij geen kleren aanhad en dat er mannen ons weggetje aan het volkieperen waren. Toen ik er aankwam, had zij de schurken al stevig aangepakt, met haar kleren aan, en hadden die ‘Vaffanculo!’ tegen haar gezegd, en nu stonden ze hun rommel wel weer òp te laden omdat ze zo bang waren dat Els de politie ging bellen, want op sluikstorten staan hier zware boetes.
 Meer zelfs, nadat ik hun nummerplaat had gefotografeerd waren ze zo zenuwachtig dat ze twéé karren afval zijn komen opladen. Ook rommel die niet van hen was. Haha.

image

Ik vraag me wel af waar ze die twee karren gelost hebben.

Golf

Ik ging daarover zwijgen. Over die inbraken altijd, overal, elke nacht wel ergens. Over die nachtelijke achtervolginscène hier op ons slingerende landweggetje, laatst. Boa had geblaft, er was een auto gepasseerd, ik had het hameren van metaal op metaal gehoord, belde fluisterend de bewakingsdienst, en die betrapten een dievenbende die in onze verre velden een gestolen kluis aan het openbreken was. Maar ze verloren hen in een wilde achtervolging. ‘Nu ja, ik had ook geen zin in een kogel door mijn hoofd’, zegt de man van onze bewakingsdienst. ‘Het is aan de flikken om de dieven tegen te houden. Wij vallen ze gewoon een beetje lastig.’

Vanmorgen was Maurizio vroeg opgestaan. Hij zag dat er al iemand voor het winkeltje stond te wachten, vond dat Angelino wel erg vroeg op was vandaag. Maar dan volgde het loeien van een motor en een hels kabaal van kletterend metaal. Het zware traliewerk voor het hoge achterraam van Tonino’s winkeltje werd van diep uit de muur gerukt. Tegen dat de politie aankwam waren de dieven al gevlucht.

Het gehucht is door elkaar geschud maar Tonino doet alsof het hem niet raakt. ‘Als God je zoveel cadeau’s geeft moet je niet kwaad zijn als Hij eens iets terug pakt.’ God heeft alle salami uit zijn toonbank gestolen, en de kassa van op de toog en de sigaretten uit het rek, dat wel, maar Hij deed tenminste geen gewapende overval, dat is het voornaamste. Ik kijk Tonino doordringend aan, want de winkel is volgestroomd met oren en ogen. Hij weet wat ik hem zwijgend vragen wil, en hij schudt zijn hoofd met zijn ogen dicht. Neen, ze hebben niet alles gevonden. De dieven wisten niet het verborgene staan.

Maar wat ook verdwenen is, en dat is raar, is de lijst met schulden die iedereen bij zijn winkeltje heeft. ‘Sommige klanten hebben al maanden niets meer betaald. Die bedragen lopen hoog op, weet je.’ Hij doet alsof hij zich opeens iets afvraagt. ‘Wie steelt nu een blad papier, volgekrabbeld met namen en getallen?’

'Maar goed', zegt hij, 'Nu weet iedereen tenminste dat ik niets met de golf van inbraken te maken heb.' Omdat zijn winkel de biechtstoel en de ondervragingskamer van de streek is, de regiecel en het schakelpaneel, denken vele mensen dat mijn vriend minstens iéts moet weten over wie de mannen met losse handen zijn.

'Tenzij je je hebt laten overvallen om de verdenkingen van je weg te leiden', zeg ik.

'Nee', antwoordt Tonino. 'Zo slim ben ik niet.'

En hij maakt een cappuccino voor mij.