Hinderlaag

Het loopt de spuigaten uit. Zelfs mijn dorpsgenoten die lyrisch kunnen vertellen over de tijden toen sigarettensmokkelaars in zware Mercedessen met gedoofde lichten over veldweggetjes scheurden, de Carabinieri in hun aftandse Fiats het nakijken gevend, en ‘s ochtend met rode ogen, ongeschoren wangen en een triomfantelijke glimlach dikke pakken lires uit hun zakken trokken om iedereen aan de toog een espresso te trakteren, zelfs die mensen vinden het welletjes nu. Er wordt te veel ingebroken. Dat is niet goed voor het toerisme. En dus niet voor henzelf. Want alleen de schrijnwerker die na elke inbraak nieuwe deuren en ramen mag steken vaart er wel bij, terwijl tuiniers en metsers en restaurateurs met lede ogen moeten toekijken hoe steeds meer buitenlanders er moedeloos de brui aan geven. De laatste inbraak was er teveel aan. Ze trekken weg.

Een tiental dagen geleden werd ook bij ons weer ingebroken. Nu hebben wij een bijna feilloos systeem tegen dieven. Niets. Wij hebben niets van waarde. Geen tv, geen microgolf, geen iPad, geen geld of juwelen, niets. Wij hopen dat zo ooit in een dievenhol gesakkerd wordt dat er bij die Belgen niets te rapen valt, dat een gevangenisstraf riskeren voor drie blikken olijfolie - extra vergine olijfolie van optimale kwaliteit weliswaar - de moeite niet loont, en dat ze ons huis vanaf nu beter links laten liggen.

Sindsdien werd ons stoffige slingerweggetje twee keer als vluchtweg gebruikt. Na een inbraak vlakbij, waarbij een brandkast uit een muur werd geramd, vlamde hier een auto voorbij met klappende veringen en schokdempers die tegen ons hobbelige baantje kwakten. Ze toeterden zelfs naar Els die buiten aan het lezen was maar voor we konden zien welke auto het was, werd die al door de donkere nacht opgeslokt.

Drie nachten geleden was het weer van dat. Een achtervolging in de regel nu. Eerst diezelfde auto die als een racewagen tijdens een rally voorbijvlamde - deze keer schreeuwde de copiloot iets naar Els die alweer buiten zat te lezen. Een bedreiging? Daarachter kwam de auto van onze bewakingsdienst. Veel rustiger, want, zeggen ze zelf ‘God ja, we hebben geen zin om de dieven te klissen. We vallen ze gewoon een beetje lastig.’

Gisterenavond kwam vanuit de verre velden alweer een auto over ons pokdalige baantje aangereden. Dat hoort onze hond lang voordat wij de lichten van die auto zien. Omdat Boa razend reageerde, stak de chauffeur van ver zijn zwaailichten aan. Iets later stopten de Carabinieri voor ons huis. In het helblauwe bliksemen stapte een flik uit die ik ken.

'Trek je van ons niets aan', liet hij weten, 'Wij komen in hinderlaag liggen. We willen die auto klissen. Jij ziet en hoort niets, oké?'

Hij en zijn collega parkeerden hun politiewagen achteruit in het veld vlak voor ons huis. Ze deden hun lichten uit, zetten de motor af. En inderdaad: opeens waren ze verdwenen. Ze lagen perfect onzichtbaar in een hinderlaag. Vlakbij. Wachtend. Wachtend. Geduldig wachtend.

Oké, misschien was ik wat onachtzaam. Toen Els buiten kwam om te lezen, vergat ik haar te zeggen dat aan de andere kant van ons weggetje een bemande politieauto stond. Zij ging in haar luie stoel zitten om op ons nachtelijke terras te doen ze voor het slapengaan altijd doet. Lezen.

Ik was al naar bed toen ik een ijselijke gil hoorde. Een oerschreeuw. Het paniekerige brullen van mijn vrouw die een motor hoorde aanslaan en plotseling een dievenbende uit het veld voor haar neus zag komen aanrijden. Zonder lichten! Wij werden overvallen!

'Had je haar niet beter verteld dat we haar al uren aan het bekijken waren?', vroeg de politieman vanmorgen aan de toog van Tonino. Hij keek nog altijd bleek van het schrikken van Els' geweldige stemvolume.

Ik beaamde dat ik dat misschien beter had gedaan.

In zijn onderbroek

'Echt?', vraagt hij stil. En hij verlegt een drendeltje blondgrijze rastaharen van zijn voorhoofd naar achter zijn oor. Vincenzo zweet. Want in de blakende zon is hij kaf van het koren aan het scheiden. Niet bij wijze van spreken. Letterlijk. Hij staat gekleed in marcel en onderbroek, schept met een plastic keukenvergiet graan op, houdt zijn vergiet hoog, en laat bij het vallen de wind het kaf van tussen het koren blazen. Het is graan dat hij zelf heeft verbouwd en hij is er trots op. Zijn oogst is klein, maar zuiver biologisch.

'De helft? Nu al?' Hij schept nog een vergiet graan op en blaast met bolle wangen zijn verbazing uit.

Ik had hem weken geleden gevraagd hoeveel liter extra vergine olijfolie wij van onze boomgaarden mochten verwachten. ‘Alleen de allereerste pluk’, had ik hem op het hart gedrukt. ‘We gebruiken alleen de olie van onze vroegstrijpe olijven. Alles wat we daarna oogsten verkopen we wel aan de coöperatieve of aan opkopers.’

Hij had in zijn hoofd een wandeling door onze velden gemaakt, de bomen nog een keer geteld, de oogst geschat, en uiteindelijk een getal genoemd. ‘Zoveel liter. Dat moet lukken.’ En nu kom ik hem zeggen dat we al voor de helft van die hoeveelheid klanten gevonden hebben. Tien dagen nadat we ons tweemansbedrijfje online zetten en onze olie te koop aanboden, hebben mensen al voor de helft van onze geschatte opbrengst bestellingen geplaatst.

Vincenzo zegt ‘Ongelooflijk.’

Hij schept nog enkele vergieten graan op, laat de wind rustig haar werk doen, en zegt pas dan: ‘Die mensen zullen daar geen spijt van hebben.’

image

Meer weten? Bestellen? 

www.thomas-vincenzo.tumblr.com

De oude oom en de zee

image

Tonino: ‘Mijn oom had een restaurant aan het strand. Je weet wel, dat vervallen gebouw voorbij de schietclub, waar dat plakkaat van ‘Pesscheria’ nog uithangt. Ja, daar, op die rotspunt in zee. Nu, je weet, als de wind hard uit het Noorden waait, wat de wind hier in de zomer meestal doet, als die wind vanuit de Balkan over de Adriatische zee komt blazen, dan is het daar niet te doen. Jaren en jaren werkte dat mijn oom op de zenuwen. Hij kon daar maar niet aan wennen. Dan had hij de mooiste plek op de wereld om zijn tafels buiten te zetten, en elke keer het wat woei moesten zijn klanten binnen schuilen. In de hitte.’

Tonino zet zijn bril af en wrijft tranen van plezier uit zijn ogen.

'Op een dag mocht mijn oom een groot feest organiseren. Alle notabelen van het dorp waren er. Prachtig, buiten op zijn terras. Hij fier als een gieter.'

Mijn vriend giechelt als een meisje nu.

'Maar midden dat feest steekt de wind op. Alles woei weg. De golven spatten tot over de tafels. En terwijl iedereen naar binnen vluchtte, stormde opeens mijn oom naar buiten. Hij gooide zijn schort op de grond, trok zijn T-shirt uit, en ging wijdbeens op de rotsen staan. En daar is hij beginnen schelden. Roepen, tieren, brullen. 'Godverdomse klootzak van een stompzinnige zee! Wat heb ik jou ooit verkeerd gedaan!' Intussen slingerde hij steen na steen zo ver hij kon in het water, alsof hij een razende hond wegjoeg. 'Smerig beest, hou je toch godverdomme koest als ik aan het werken ben! Je maakt me kapot! Je maakt me kapot!'

Er komt een man het winkeltje binnen. ‘Ha, ben je over je oom aan het vertellen?’ Tonino giert het intussen uit: ‘Zié je? Allemaal kennen we dat verhaal.’

Tonino draait zich naar zijn koffiemachine en maakt een espresso klaar. Ik vraag aan zijn rug hoe het die dag afgelopen is. Hij draait zich om, zet het kopje koffie neer, en alsof hij zelf het einde van zijn verhaal vergeten was, kijkt hij plotseling bedrukt. Hij pakt zijn bril van het toogblad, zet die op, en zegt: ‘Toen hij eindelijk uitgeraasd was, is mijn oom terug naar binnen gegaan. Daar heeft hij iedereen rustig gevraagd zijn pand te verlaten. Hij heeft zijn deuren gesloten en nooit meer opengedaan. Een paar maanden later was zijn restaurant verkocht. Sindsdien staat het leeg.’

image

Als er een oppermacht is, speelt ze graag spelletjes met ons.

image

Er liep een man in onze straat. In de stille nacht hoorde ik zijn stappen knarsen op het grind. Mijn bloed stopte met stromen. Want hier, in onze verre wrede velden, waagt niemand zich te voet. Nooit. Na zonsondergang passeert hier zelfs geen auto meer. De donkere boomgaarden waarin wij wonen worden in ons dorp ‘de woestijn’ genoemd, een verloren wereld waar niet zo lang geleden smokkelbendes de auto’s van concurrenten in brand kwamen steken en waar nu nog inbrekers hun gestolen brandkasten komen openbeitelen, als ze al niet bij ons langskomen om hun buit van die nacht wat bij te spekken. Als wij bij thuiskomst onze deuren uit hun hengsels geramd en onze inboedel als na een orkaan vinden, zuchten wij ‘Alweer?’ en gaan we slapen.

Er naderde dus een man. En wij hebben een hond. Haar schoft komt tot aan je heupen en haar bewakersblaf klinkt als die van een boze wolf wiens welpen je komt stelen. Razend schoot Boa de donkerte in. Ze vloog over ons muurtje. In het zwart van de nacht zag ik een man een standbeeld worden. Versteend wachtte hij zijn dood af. Maar eens bij hem viel onze hond stil. Ze snuffelde een rondje en kwispelde haar staart. Goed volk. Goed volk dat ‘Good evening’ zei.

Nu wordt het verhaal bijzonder. Spookachtig of sprookjesachtig, daar ben ik nog niet uit.

We schonken de jongeman een pils en lieten hem vertellen. Hij begon in het Engels tot hij begreep dat wij ook Nederlands spraken, en kijk eens aan, ook Belgen waren. Met zijn familie huurde hij het vakantiehuisje dat enkele velden verder staat. Je weet hoe gesprekken gaan. Dat hij les volgde aan de zeevaartschool in Antwerpen, en dat wij al eens rond de wereld waren gezeild, en dat hij niet eens kon zeilen, en dat wij in Nieuwpoort vertrokken waren, en dat zijn moeder van de buurgemeente Oostduinkerke afkomstig was. Ik vroeg hoe ze heette en hij zei haar naam.

En ik dacht ‘Misschien bestaat er toch een oppermacht die spelletjes met ons speelt.’ Soms is het toeval immers zo groot dat je in iets anders dan het niets wil geloven.

Want enkele dagen geleden had ik uit het niets een berichtje ontvangen. Van iemand die ik helemaal niet ken. Een vrouw. ‘Ik heb nog bijles van je vader gekregen en ben nu met vakantie in jouw Italië.’ Omdat ik een beleefde mens ben, vroeg ik kort ‘Leuk. Waar?’ Zij antwoordde ‘Zo ver in Italië dat, als je nog verder reist, je van het continent dreigt te vallen.’ Dat was dat. Klaar.

En nu was haar zoon uit de nacht bij ons aan tafel beland. In deze verre velden. Kan iemand de kans berekenen dat zoiets gebeurt? Een getal met veel nullen achter de komma, toch?

Maar het gaat verder.

image

In mijn moestuin heb ik een te grote oogst en de volgende ochtend ging ik de vakantiegangers daar een kistje van brengen. Aubergines en pepers en komkommers en tomaten en pepertjes. Het zag er charmant ruraal uit.

Omdat ik door de velden hun vakantiehuis naderde, meldde ik scherp fluitend mijn komst. Ik zag een vrouw naar binnen schieten, dan terug naar buiten terwijl ze snel een sjaal rond haar nek sloeg. Vreemd, want het kwik danst hier rond de dertig graden.

De vrouw, die vanuit het niets in mijn mailbox en als bij godswonder naast mijn deur was beland, gebaarde me dat ze niet kon praten. Telkens haar lippen in stilte woorden vormden, piepte een gat in haar luchtpijp een beetje - achter die sjaal. Als ik haar niet verstond krabbelde ze snel iets op een blaadje. Maar het voelde alsof onze ziel dezelfde taal sprak. Zonder de beperking van geluid krijgt een gesprek de ruimte onbelemmerd diep te gaan. Ik keek naar haar mond en luisterde naar haar stilte en zag haar krabbelende handen en dacht ‘Wat een vrouw.’

Nu wordt het moeilijk.

Ze schreef ‘Hoe gaat het met je vader?’ En ik zei dat ik geen contact meer met hem heb, al lang niet meer, maar dat ik wel wist dat het niet goed met hem ging.

Ze schreef ‘Hij kon luidruchtig zijn.’ En ik legde uit dat dat een van de redenen was voor de canyon tussen ons beiden. Heftige karakters, grote woorden, brede gebaren, zware aardbevingen en diepe breuklijnen.

Ze schreef ‘Maar hij is een goed mens.’

Ik zweeg luidop.

Ze schreef haar verhaal in korte zinnen. Vierendertig jaar geleden, toen ze een meisje van twaalf was, had ze keelkanker gehad. Een hele tijd was ze buiten strijd geweest. De behandeling had haar stembanden verwoest. Toen heeft mijn vader zich over haar ontfermd. Hij gaf haar les. Gratis. Gedreven. Omdat hij goed wilde zijn.

Ik mompelde ‘Ja, ja, zo ken ik hem ook wel.’

En daar moesten we het bij houden. Want toen kwam haar gezin thuis. En toen praatten we allemaal wat over de dingen waar mensen over praten. Het weer. De mensen. Het eten.

Midden dat gesprek schoof de vrouw me een blaadje toe. Er stond op: ‘De cirkel is rond.’

Ik keek haar vragend aan.

Ze schreef: ‘Op mijn twaalfde had ik kanker en kwam ik je vader tegen.’

Ik bleef mijn wenkbrauwen vragend fronsen.

Ze schreef: ‘Twee weken geleden kreeg ik te horen dat ik weer kanker heb.’

Mijn hart stopte met slaan.

Ze schreef: ‘En deze keer kom ik zijn zoon tegen.’

Ik beet op mijn onderlip. Wij keken elkaar aan. Zij glimlachte.

En met tranen in mijn ogen fluisterde ik ‘Ook deze keer zal je dus genezen.’ 

image

Minimalistisch verhaal

Wij hebben nu een moerbeiboom.

Kijk, Freya heeft er al onder gestaan.

image

Die boom staat er al sinds 1890. Dat schatten we, want zo oud is het boerderijtje ernaast. 

image

(Daar gaat Els iets mee doen.)

Onze moerbijboom is enorm. Maar voor ons is hij dus nieuw.

image

We wisten niet zeker dat het een moerbeiboom was. En nog minder welk kleur de bessen zouden hebben. Rood of wit? 

We hebben een herfst, een winter en een lente gewacht. En nu staat hij in bloei. 

image

Het is inderdaad een moerbeiboom. En de bessen zijn wit. En met onvoorstelbaar veel. ‘Tweehonderd kilo’, schat een boer.

image

We hebben er een net onder gespannen. Even tegen een paar takken getikt. Genoeg voor een kilo of vijf.

image

Daar heeft Els confituur mee gemaakt.

image

Lekker!