Spuiten, spuiten, spuiten.

Dan sta ik daar ‘s ochtends ontiegelijk vroeg in dat dorpswinkeltje tussen die boeren en dan haal ik weer een keer verschrompelde bladeren uit mijn broekzak die ik bij zonsopgang van alweer andere planten getrokken heb en dan geven die boeren één voor één verschillend advies over hoe ik mijn groenten van de ondergang kan redden, en mezelf van een depressie.

Echt, soms denk ik dat iemand een scenario van mijn leven aan het schrijven is en dat ik daar slechts een figuurtje in ben dat mag opdraven om de spanningsboog grappig en spannend te houden. ‘Het moet op en neer gaan’, vindt die schrijver. ‘We moeten hem wat moed en dan weer klappen geven. Laat hem even jubelen met een succesje, dan pakken we hem dat weer af. Haha! Dat zal het publiek schitterend vinden.’ Een beetje zoals Job, die op zijn mesthoop door God gepest werd om te zien wanneer hij zou kraken. ‘Dat boek heeft toch ook goed verkocht?’, zegt mijn scenarioschrijver.

Ja, sorry, boeiender is mijn leven niet. Het gaat dus weer over mijn pogingen om boer te zijn.

Vorige week nog was ik overtuigd ik dat ik de plaatselijke landbouw een nieuwe impuls gegeven had. Ik had mijn collega-landbouwers het bewijs geleverd dat je ook biologisch kon kweken. Oké, mijn tomaten, courgettes en aubergines groeiden wat trager en kleiner dan die van mijn concurrenten. Maar zo natuurlijk! Zo gezond! Aaah!

En kijk eens naar mijn komkommers die ze hier melone noemen en je begrijpt waarom?

image

Dramatische wending in het scenario. Stilte voor opnames… Actie! Of nee, net niemendal actie.

Mijn planten zijn ermee gestopt. Mijn moestuin is plotseling het Hirosjima van Puglia.

Enkele dagen geleden schoot het kwik hard omhoog en schoten de schimmels en het ongedierte even hard in actie. Baf, baf, baf, de ene groente na de andere kreeg mokerslagen. Mijn bonenplanten sloegen geel uit, mijn courgettebladeren krulden verbrand, mijn tomatenplanten zaten vol bruine vlekken, mijn komkommers hingen scheef van de luizen. Echt resistent waren mijn bio-planten niet bepaald.

image

Op één dag verloren mijn tomatenplanten bijna al hun gebladerte. Ik kon wel janken.

image

Gelukkig is er het internet. Met honderdmiljoen sites waarop je biologische wonderbrouwsels kan vinden. Maar tegen dat ik met een cocktail van look en rotte uien en verbrand gras mijn planten stond te spuiten, stond het Kwaad me in mijn gezicht uit te lachen. ‘Te laat, sukkel!’

Zondag… Zondag… Het valt me zwaar erover te spreken. Zondag stonden mijn planten erbij als na een aanval met napalm. Bovendien had Boa die ochtend vroeg jacht op hagedissen gemaakt onder mijn kroppen sla. Een slagveld. Alles kapot. En iets verder had ze die hagedis uit de grond proberen te graven. Een bomkrater rond Ieper in de Eerste Wereldoorlog? Kinderputje.

En het advies van de boeren bleef maar door mijn hoofd hameren. ‘Je moet rame spuiten!’ - ‘Je moet solfo spuiten!’ - ‘Je moet concime spuiten!’

Ik ben gekraakt.

Ik ben recht naar de tuinbouwwinkel gereden. Ik heb mijn lot in de handen van een bejaarde vrouw gelegd. ‘Help mij’, zei ik. ‘Maar het moet bio zijn.’ Had ze een pact met de duivel gesloten? Geen idee. Maar ze keek me meewarig aan, slofte weg, en stopte me twee doosjes in de hand. ‘Wat is dit?’, vroeg ik nog. ‘Ecologico’, mompelde ze. En ik racete naar huis met een gloednieuwe pomp waarin ik soeplepels fluorescerende en lichtgevende poeders mengde, poeder dat er even biologisch uitzag als wat Walter White bereidt.

Ik heb de zon bijna eigenhandig onder de horizon geduwd, want dan pas mocht ik spuiten.

En ik heb gespoten.

En ik ben niet meer gestopt.

Want Maurizio is na mijn eerste biologische aanval naar mijn ziekenboeg komen kijken en hij schudde het hoofd ‘Nee, zo red je het niet. Ik maak een geheim mengsel voor je klaar.’

Maurizio werkt in het grote kweekcentrum dat stekjes aan boeren verkoopt. Toen ik er kwam stond vijf liter van zijn obscure mengsel op me te wachten - pruttelend en walmend -, naast een potje met een lichtblauw poeder dat rookte en siste. Of toch bijna.

image

‘Het is bio!’, probeerde Maurizio mij te overtuigen. ‘Heus waar! Maak je geen zorgen! Zuivere bio! Goed tegen alles!’

Vanmorgen om halfzes stond ik zijn bio-insecticide en zijn bio-groeimiddelen op mijn planten te spuiten. Ik droeg een mondmasker en plastic handschoenen. ‘En achteraf goed douchen en ook je kleren wassen!’, had Maurizio mij geadviseerd.

Ben ik nog een bioboer? Al mijn collega’s beweren van wel. Ikzelf heb hier en daar misschien een kleine twijfel. Waarschijnlijk beschouwden mijn dorpsgenoten de kernramp in Fukushima ook maar als een onschuldig vuurwerkje op een kinderfeest.

image

Maar ik steek mijn kop in het zand. Ik moet plantenlevens redden.

Lui zijn, dat is hard werken

Mocht u er ook van dromen een dekentje over uw carrière te leggen, weet dan dat het veel energie vraagt uw batterij leeg te laten lopen. U moet het talent hebben om lui te zijn. U moet het lef hebben in het peilloze ravijn van het nietsdoen te staren. En het vergt een ijzeren discipline om achteloos wat tijd door uw vingers te laten glijden. De routine van een nine-to-five job is daar niets bij vergeleken.

Ik overdrijf. Maar ik vertel de waarheid. Ik ben ervaringsdeskundige.

Ik wil me vanuit mijn hangmat onder de kruin van een eeuwenoude olijfboom niet bezondigen aan klaagstoefen. (‘Poeh, poeh! Zo’n hele dag genieten, dat is làstig!’)

Maar soms worstel ik met de draaglijke lichtheid van dit bestaan. Dan vervloek ik mijn eigen droom. Echt, dan schrikt mijn vrouw op omdat ik plotseling uitroep ‘Man! Al dat nietsdoen! Ik krijg er stress van!’

Juister is: ik worstel met mezelf. ‘Nee, je worstelt met wat je denkt dat de wereld van je verwacht’, zegt mijn vrouw. En weer heeft ze gelijk. Ze zegt:  ‘Want je maakt jezelf steeds minder belangrijk. En dat maakt jou bang.’ Die angst is inderdaad de lastigste horde om te nemen. 

Wie lui is, presteert niets. Dat staat in de definitie van het woord. Terwijl we op prestaties worden getaxeerd. We zijn het werk dat we leveren. (Vraag: ‘Wat doe jij in het leven?’ Nooit is het antwoord: ‘Ik jaag mijn dromen na.’ Maar wel: ‘Ik ben heftruckchauffeur.’) Ergo, ondergetekende wordt stilletjesaan niemand meer.

Een succesvolle ondernemer mailt me: ‘Ik wil ook afremmen. Maar het maakt me bang. Want als ik minder opgejaagd ga leven, creëer ik ruimte om na te denken over mezelf. Dan word ik misschien gek.’ Ook dat is waar. Het is gemakkelijker je leven in drukdoenerij te betonneren dan met jezelf geconfronteerd te worden in het zonovergoten niemandsland van een jaartje rust. Want de enige die onder je huid zit ben jij, en het is triest als je dat gezelschap niet kan uitstaan.

Wie lui is, is nog slechts wie hij is. Geen speekselmedaille op je hemd omdat je een weekblad redt. Geen concurrerend bedrijf dat je weg wil kopen. Alleen vuile handen omdat je op een veldje de tijd omspit. Je vrouw die vanuit de keuken roept ‘Breng je wat sla en courgettes mee? Daar moet ik nu mezelf mee opbouwen. Met zelfgekweekte groenten.

(Ja, ja, ik hoor u wel. U moet de sprong ook financieel aankunnen natuurlijk. Maar voor velen is dat excuus hun laatste houvast aan de sleur. Ze missen het lef te hakken in hun uitgaven, te kiezen voor het kleine, en op te souperen wat ze invriezen voor later. Terwijl, ik vertel u geen geheim: dat later is nu begonnen. En nu. En nu.)

Kortom. Wat krijgt u als u hard aan uw luiheid werkt? Uw naakte, gestripte zelf die uit de verbanning van het nietsdoen strompelt. Bevrijd.

Nu denkt u, er zijn er nog die in de woestijn gaan leven zijn en achteraf grootse dingen deden. Eentje bleef slechts veertig dagen weg en zet nu nog de wereld aan het denken. Fout. Zolang u fantaseert over de grootse dingen die u na uw onderbreking wil doen, is de oefening niet geslaagd.

Ga terug naar start. U ontvangt geen geld.

Zwijgkracht

De hak van de laars maakt geen geluid. Of nee, toch wel. Ze maakt een heleboel lawaai, als de hiel van een flamencodanser op een plankenvloer. Mijn dorpsgenoten maken immers graag kabaal. Dan roepen hun handen mee. Maar hoe hoog de emoties ook oplaaien, als het over inhoud gaat fluistert de hak angstvallig stil. In deze stomme film ben ik de enige die naar tekst verlangt.

Ik heb een theorie. Hoe meer woorden mensen gebruiken, hoe minder ze zeggen. Hoe hoger het volume, hoe lager het niveau. In de States verkwisten mensen decibels, daar hebben ze geen borden genoeg om hun boodschap rond te bazuinen. Maar weegt wat ze schreeuwen daarom zwaarder door? Bof.

Dingen die belangrijk zijn worden spaarzaam gezegd. Een sterk verhaal heeft weinig lijnen nodig.

Hier in Zuid-Italië is het iets anders. De hak van de laars maakt geen geluid omdat ze zoveel stil wil houden. Ze schuifelt zorgvuldig rond om niets te verraden. Geen tàk, tàk, tàk van duidelijke taal. Maar het sluipende zwijgen van geheimen.

Mijn gehuchtgenoten denken na voor ze delen wat ze weten. Ze houden hun diepste mening voor zichzelf. Zwijgen is hun grootste goed. Ze zeggen het zelf: vertrouwen is voor dommeriken, vriendschap een illusie. Wordt er hartelijk op je rug geklopt, kijk dan of er geen mes in zit. En ook: echte gevoelens bezoedel je niet met woorden.

(‘Ik hou van jou’? Bewijs dàt maar zonder taal.) En voor de waarheid schiet elke tekst tekort. (Zegt iemand ‘Ik ben een man van eer’? Die verkoopt als eerste zijn ziel.)

In de hak van de laars leer je zwijgen over wat te uitgesproken is. Wat luidop wordt gezegd weegt minder dan lucht.

Ik ben van het Noorden. In een dialoog wil ik doorstappen via de kortste weg. Mijn hielen mogen ketsen op kasseien. Maar in Zuid-Italië wachten mensen op het juiste moment om in een gesprek op reis te gaan. Ze slenteren via zijpaden naar wat ze te zeggen hebben. Ze doen alsof ze de weg niet vinden om je los te gooien.

Als het over de essentie gaat moet ik alles aan vijf mensen vragen om zes verschillende antwoorden te krijgen. Ik heb een goede vriend - heb ik een goede vriend? - met wie ik dringend enkele heikele zaken moet bespreken. We dansen al weken rond elkaar. We weten waar we willen geraken. Maar we wachten om klare taal te schenken. Intussen tetteren we tot onze oren fluiten.

Het is op dat fundament van zwijgen dat het fort werd gebouwd van de organisatie waarvan ik hier de naam niet vermeld. Want ook schrijven moet je in stilte doen.

Het is als het oud-Vlaamse verbond dat door de kerk werd uitgebuit. ‘Daar moet ge niet over spreken’, ‘Zwijgt daar maar over’. Maar een kind stopt niet met huilen omdat iedereen zijn vingers in zijn oren stopt.

In elk corrupt systeem is stilte een kracht. Wie niets luidop zegt, zegt niets verkeerd. In zo’n wereld vertrouwt niemand een ander dus deelt niemand wat hij weet. Want informatie is macht en het beetje dat je bezit durf je niet uit handen geven. Slechts zo blijft een malafide organisatie overeind. Omdat iedereen er over zwijgt.

De geheimen die meegaan naar het graf, de strategische verstomming.

Het is ook het noodlot van een kleine gemeenschap: zwijgkracht is een stevig cement. 

 

De jaren vijftig in Zuid-Italië

Het is een trauma. Keer op keer willen de zussen d’Amico me erover vertellen: Maria heeft bij haar grootouders mogen wonen.

En zelfs nu die Maria met haar bejaarde broers en zussen samenwoont in zeven huizen die tegen elkaar gebouwd staan rond het boerderijtje dat ooit van hun vader was, voelt zij zich nog steeds een buitenstaander.

Op een terras dat uitkijkt over de velden waar ze zijn opgegroeid, drink ik koffie met haar en Bellina, twee zussen van Giovanni.

Hier leefde het gezin d’Amico op het randje van de honger. Baby Maria’s mondje was er eentje teveel. De vader van haar vader was best een grote boer, dus werd ze als boreling daar naartoe gebracht. Terwijl zij prinsesje werd leefden haar broers en zussen als verschoppelingen.

Haar jongere zus Bellina:: ‘Ik ben tot mijn elfde naar school gegaan. Op blote voeten. Nooit heb ik als kind schoenen gehad. Ik voel nu nog de kou. Giovanni gaf me slaag als ik te traag liep. Maar ik was verkleumd. Ik had honger. En ik had pijn! Want zodra we konden stappen moesten wij werken op het veld. Hard werken. Keihard werken. In de striemende regen en de blakende zon. Zonder machines, alles met de blote hand. Wij hadden allemaal steentjes in onze knieën, etterende wonden van altijd maar geknield over de grond te schuifelen.

En Maria intussen leefde in weelde. Wij haatten haar.’

Maria vertelt door haar tranen heen: ‘Ik was zo jong. Ik had alles wat ik wilde. Kleren, eten, speelgoed zelfs. Ik werd met paard en kar naar school gebracht. Ik wist wel dat die andere kinderen mijn broers en zussen waren, maar echt contact hadden we niet.’

Ze herhaalt het wel vijf keer: ‘Ik kreeg elke dag vlechten in mijn haar.’ Vlechten waren voor rijkeluiskinderen. Die gingen niet om met luizenkoppen.

Bellina: ‘Als ze op haar kar passeerde gooiden wij hagedissen naar haar hoofd.’

Maria knikt. Ze herinnert zich dat nog steeds: ‘Levende hagedissen.’

Bellina: ‘Onze oudste zus, Anna, wilde eens lief voor haar zusje zijn. Ze spaarde het zeldzame beetje snoep dat wij kregen op. Op een dag bracht ze dat handjevol naar de stad, naar Maria. Die gooide de karamellen weg. Ze haalde er haar neus voor op. Zij was beter gewend.’

Maria beaamt stil. ‘Het is waar. Ik heb dat gedaan. En toen, plotseling, is grootvader gestorven. Ik was elf. Ik was elf en werd terug naar huis gebracht.’

Bellina: ‘Ze werd met paard en kar bij ons afgezet. Ze stond nog niet op de grond of een broer gaf haar een duw, trok haar schoenen uit, sneed die aan flarden, en maakte met het leer ervan een katapult. Wij meisjes trokken intussen aan haar mooie vlechten, zo hard we konden. Dat was Maria’s welkom.’

Maria: ‘Vanaf toen leefde ook ik op blote voeten, had ook ik steentjes in mijn knieën. En ik werd van school gehaald. Ik heb jaren en jaren gehuild. Ik ben altijd de verschoppeling gebleven.’

Bellina: ‘We wisten niet beter. Wij waren als beesten opgegroeid. Mijn hele jeugd heb ik mijn leven vervloekt. Zo arm als wij waren! We hadden zelfs geen elektriciteit, verlichtten één kamer met een stinkende, walmende petroleumlamp.’

Maria: ‘Ik ben getrouwd om naar Duitsland te kunnen vluchten. De eerste jaren dacht ik alleen maar aan werken, geld verdienen, sparen om mijn kinderen een beter leven te geven. Pas veel later, toen mijn zonen studeerden, ben ik aan mezelf beginnen denken. Het is van hen, aan hun bureautje, dat ik eindelijk deftig heb leren lezen en schrijven.’ 

Bellina vult aan: ‘En ik ben op mijn twintigste getrouwd omdat ik niet meer kon. Niet uit liefde of zo. Echt niet. Ik kende mijn man amper. Maar hij woonde in de stad. Dat was genoeg. Ik ben getrouwd om elektriciteit te hebben.’

Horticulturele hoera

Het is het eerste wat ik elke ochtend doe nadat ik van mijn ladder uit onze boomtent ben neergedaald. Dan loop ik over mijn groenteveld en wens ik mijn planten een mooie dag.

image

Het is het laatste wat ik elke avond doe voordat ik op mijn ladder naar onze boomtent klim. Dan loop ik over mijn groenteveld en wens ik mijn planten een prettige nacht.

image

En tussen deze twee momenten in ga ik ze allemaal wel - Hoeveel keer? Ernstig? - toch wel tien, vijftien keer aanmoedigen. Kijken hoe fel ze al gegroeid zijn, of alles wel goed met ze gaat, of er geen klachten over mijn dienstverlening zijn.

image

Deze zelfgekozen verbanning naar de leegte heeft mij enkele dingen over mezelf geleerd. Net voor mijn vijftigste blijk ik liefde voor een hond te kunnen voelen en van een moestuin te kunnen genieten. Dat zijn vreemde gewaarwordingen.

image

 Het is meer dan liefde voor onze hond. Ik ben verliefd. Het is meer dan genieten van mijn groenten. Het is de rush van een drugsverslaafde. Maar dan tergend traag, want echt snel gaat dat niet, zo’n tomaat.

image

Ik heb een aanval van bietenvlieg op mijn warmoes overwonnen omdat ik elke vlieg persoonlijk heb weggejaagd en elk larvennest eigenhandig uit elk blad heb geknipt. Dagen aan een stuk, om de paar minuten stond ik daar. Tot ze genezen waren.

image

Ik wil niet meer met Els en Boa mee op hun vaste avondwandeling omdat hun route langs velden leidt waar boeren hun groenten massaal krachtvoer geven. Daar staat een veld tomaten waar ik ziek van word: zo snel, zo groot, zo dik, zo echt.

Dan strooi ik stiekem nog een beetje biologische vogelkak rond de wortels van mijn kleine, trage, lieve plantjes. En ik geef ze nog wat extra water. Maar niet teveel! Want ze moeten sterk worden, en zelfstandig.

image

Geen mooiere woorden dan Els die vanuit de keuken roept ‘Breng eens een krop sla mee? En wat courgettes?’ 

image

Geen trotser gevoel dan bij het overhandigen van mijn eerste mandje prinsessenbonen.

image