Giovanni
Negen maand geleden.
De zon ging onder en het werd koud en ze lieten hem daar maar liggen. Onder dat blauwe zeil. Ernaast lagen plastic handschoenen in een struik bosbessen gegooid. De spoeddienst reed net weg toen wij onze fiets tegen een muur lieten vallen die hij nog had gebouwd. Politiemannen hielden zijn dorpsgenoten op afstand. Alleen zijn zussen mochten erbij. Onze boezemvriend lag op zijn rug onder dat zeil. Zijn lichaam kon ik zien telkens een politieman er een hoekje van oplichtte om hem aan een familielid te tonen. Zijn rechterarm lag over zijn gezicht, zijn handpalm naar de hemel gedraaid. Alsof hij van iets schrok. Voor altijd.
Toen de gerechtsdokter eindelijk kwam, de enige man in maatpak, en hij het lichaam van onze held betastte, zag ik dat de borstkast van Giovanni was verpletterd. Zijn lichtblauwe geruite hemd kleurde rood van het bloed. Hij was onder zijn tractor terecht gekomen die gekanteld was door achteruit van een trapje van niets te rijden.
Niemand weet hoe lang hij daar al lag, in een plas benzine die in de harde aarde drong. Mooi onder een olijfboom, dat wel. ‘Hij is alleen gestorven’, bleven de mensen maar herhalen terwijl het donker werd. En ze legden de nadruk op ‘alleen’. Hij is alléén gestorven. De grote Giovanni d’Amico. Achtenzestig jaar.
Het was al echt koud toen de lijkwagen wegreed en wij op zijn stukje aarde dat donker kleurde door benzine en bloed een olijftak legden.
